news categories
Some of the newsfeeds can be viewed by category; choose one of the subjects below.Tech- & Geek news
News 4 (techs &) geeksTechnology news
Linux
Linux newsLinux Central headlines
Linux software announcements
Linux tips'n'tricks
Other OS'es
BEOS softwareBSD news
Mozilla
Mozilla relatedIT
SECURITYTelephony/VOIP
Networks
Internet Technology News
Webdev
WebdevelopmentWebdev::css
Webdev::javascript
WHO news
WHO newsfeedsDutch news
Dutch newsDutch weblogs
Dutch weblogsMore dutch weblogs
Podcasts
Dutch podcastsradiocast.nl
bicat.net
url: http://www.bicat.netDe ambtenaar [20]
Tien voor drie. Nog twee uur en veertig minuten. Dat schiet aardig op. Een vervroegde en langgerekte pauze om de dag te breken? Hoera! Hij springt op van zijn geïmproviseerde stoel en loopt wat wankel naar de koelkast, het hoofd ijl en de benen stijf. In de koelkast ligt nog één peer. De laatste peer van de week. Een peer vindt hij beter te eten dan een appel. Er is iets aan de structuur van appel dat hem niet bevalt. Tenzij in appelmoes, appeltaart, of een ander klaargemaakt gerecht, dan is appel dik ok. O kijk, dat rauwe peertje ziet er maar een armoedig tussendoortje uit. Zou ik het bakken in de pan? Ja, waarom ook niet, zo zal de tijd veel sneller voorbij gaan. Vreemd eigenlijk, die relativiteit van tijd. Van die astronaut en die aardling, en dat die aardling dan sneller oud wordt en zo. Of was het omgekeerd? Wordt iemand die zich verveelt minder snel oud? Dan word ik vast honderd jaar, relatief bekeken althans.
Horst giet wat arachideolie in de pan en draait het vuur op maximum. De olie wordt langzaam heet, ondertussen snijdt hij de peer in dunne reepjes. Nog iets voor erbij? Hij doorzoekt de kasten en vindt nog wat versuikerde honing en een restje zout. Dat wordt een feestmaal.
Het vet spat hoog op als hij de reepjes in de pan
laat vallen. Telkens hij een reepje dropt trekt hij zijn hand vliegensvlug weg.
Hij heeft de reflexen van een kat op leeftijd en wordt een aantal keer geraakt door
een hete druppel olie. Die olie blijft maar opspatten. Beter het vuur wat lager
zetten. Alles in de buurt van de pan hangt vol minuscule vetspatjes. Kan hij
ook nog eens gaan kuisen, zo krijgt hij de middag wel om. Hij knijpt op de
flacon versuikerde honing en mikt er wat van in de pan. Nog een snuifje zout
erover. Zo, dan zal wel smaken.
Met een houten spatel tracht hij de reepjes om te draaien. Hij moet aardig schrapen want ze plakken al vast aan de pan. Bruin, gelukkig niet zwart. Zwart is kanker, van zwart moet hij niet weten. Bruin is lekker. Nu ruikt het hier naar kelder, spaghetti en gebakken peren. Gebakken peren, daar zit hij mee. Horst draait het vuur uit en gaat terug achter zijn bureautje zitten. Hij vraagt aan Google: met de gebakken peren zitten? Google weet: peren golden vroeger als lekkernij… als de gasten niet kwamen opdagen, dan zat je ermee… en ook, maar irrelevant: tot negentiende eeuw werden gebakken peren op straat verkocht… door oude dametjes…
Balkonkinderen
“hoi”
“Wat doe je?”
“nou,…..”
“Kweenie.”
“Hoe heet je?”
“Nadir”.
“Ik ben Danja”.
“Ja”.
“Waarom heb je maar één been?”
“door een knal”.
“O”.
“Maar ik krijg een kunstbeen, hoor”.
“O”.
“Danja?”
“Ja?”
“Hoe lang woon je hier al?”
“Twee weken”.
“O….”
“Wat heb je daar?”
“Een speelvlinder”
“ik vind hem mooi”
“ik niet”.
“O…..
Waarom speel je er dan mee?”
“Ik heb niks anders”.
“Waarom niet?”
“Weet ik niet.”
“Wil je wat speelgoed van mij?”
“Nee, dat kan ook knallen”
“Zal ik dan bij je komen spelen?”
“Ja.
da’s goed”.
door Eliv
De ambtenaar [19]
Had dat lekkere wijf nu maar op zijn bureaustoel gezeten. Dan zou hij er wel eens aan gaan snuffelen, lekker pruimensap. Dat herinnert hem eraan, hij moet nog op zoek naar een kapotje. Uitstel kan niet meer, de walging is al ingezet. Geen rubberen handschoenen, geen keukenpapier. Hoe gaat hij dat vettige ding van tussen de archiefdozen vissen? Vissen… vissen… het raderwerk in zijn hoofd draait op volle toeren… bingo! Hij neemt de vensterstok uit de hoek. Hop, hop! De stok gaat weer van hand naar hand. Nee, hij laat hem dit keer niet vallen. Zijn reflexen staan op scherp. Hop, hop, hop! Aan het uiteinde van de stok zit een haak. Daarmee zal hij dat, dat… brrr, hij denkt liever niet aan dat smerige rubbertje. Waar had de collega het ook al weer gesmeten? Hier ergens? Nee, wat verder naar achter. Daar ja, daar moet het geweest zijn. Hij trekt wat archiefdozen uit de kasten, en inderdaad, het gebruikte condoom ligt daar slap in een hoekje van de kast. Het heeft zelfs wat gelekt. Gadverdamme! Met de tong uit de mond begint hij te vissen, de armen gestrekt, zo ver mogelijk van het onheilplekje vandaan. Telkens hij denkt beet te hebben, glipt het weer van de haak. Plets, plets! Dadelijk ligt alles eruit! O, maar dat is goor, dat is goor! Ja, ja, JA! Hij heeft beet, het onding hangt aan de haak. Voorzichtig de stok terugtrekken en naar de vuilbak ermee. Tergend traag sluipt hij terug naar zijn bureau, de stok ver voor zich uit. Daar hangt het te bengelen, dat vies vuil ballonnetje.
Gelukkig, het valt niet, hij heeft de vuilnisemmer bereikt. Eens draaien met de stok. Toe, val dan, nu mag het. Maar het kapotje valt niet, het blijft hardnekkig aan de haak hangen. Hij tikt met de stok tegen de rand van de vuilnisemmer, maar zelfs dat mag niet baten. Zenuwachtig wordt hij ervan, en ongedurig en kwaad en… hij wordt van alles en nog wat. De bewegingen die hij met de stok maakt worden groter en groter, totdat uiteindelijk: zwiep! Het onding laat los, maar het valt niet in de vuilbak, nee, het valt er naast en het tuft bij de landing nog wat zaad over de vloer. Hij houdt het niet meer, hij wil brullen en vloeken, zo hard dat de muren er van gaan trillen. Nee Horst jongen, dat mag je toch niet doen, dan zullen ze je horen daar boven. Diep inademen, vijf tellen, even inhouden en dan terug uit via de mond. Relax, relax… relax. Het helpt een beetje. Er komt zelfs een idee in zijn hoofd. Een oude krant, daarmee kan hij zich wel behelpen. Hij neemt er het condoom mee op, en dropt het in de vuilnisemmer. Dan wrijft hij er ook nog de vloer mee schoon. Nu ja, schoon kun je het niet noemen, maar de goorste vettigheid is er toch mee weg. Opgelucht laat hij zich op de archiefdozen ploffen, zijn geïmproviseerde bureaustoel. De bovenste archiefdoos scheurt open onder zijn gewicht, en er vallen wat documenten uit. Hij laat zijn gezicht in zijn geopende rechterhand vallen en hij schudt een aantal keren het hoofd. Hoe lang nog voor deze dag ten einde is?
Jan
![]()
Ane Harting
De ambtenaar [18]
Hij veegt zich droog met de keukenhanddoek. Blijkbaar heeft hij heel wat vuil gemist, want de handdoek wordt behoorlijk smerig. Weg er mee, hij zwiert ‘m op het eettafeltje. Wat nu gezongen majoor? Een theetje, ja dat lust ik wel. Ga jij maar lekker zuchten, ondertussen kijk ik nog eens wat rond op dat wereldwijde web. It’s a small world after all, it’s a small world after all… Hurken we aan het bureau? Nee, pijnlijk aan de voeten. Rechtstaan dan maar. Gebukt op het keyboard tokkelen. Verdomme, dat doet pijn aan de rug. Voort maken! Geen nieuwe berichten? Uitstekend! Met de handen in de zij rekt hij zijn rug hol. Nadenken Horst. Hoe pakken we deze situatie nu aan? Aan de bureaustoel wil hij zelfs niet denken. Gruwelijk! Een alternatief voor die… die.... Aha! Met grote passen loopt hij naar achter en haalt drie archiefdozen uit de kasten. Plof, op de grond. Er gaat wat stof waaien. Nog eens drie en dan is het wel hoog genoeg. Kletsmajoor is al aan het pruttelen. Snel wezen. Hij haalt nog drie archiefdozen en stapelt ze op elkaar. Ja, dat is zowat de juiste hoogte. Ting! De thee is klaar, de thee is klaar! Als een waanzinnige danst hij naar kletsmajoor. Tea time, tea time!
Hij licht kletsmajoor van zijn voetstuk en danst met hem in het rond als een primitief. We bring the tea, yes, the tea we bring, hmmm. Dan giet hij het warme water in de tas. Hij houdt het touwtje van het theezakje vast zodat het niet in de tas glijdt tijdens het ingieten. Hij spreekt het zakje toe, spoort het aan. Yes you can, yes you can! Maakt hij te veel lawaai? Kunnen ze hem daarboven horen. Koekoe, koekoe, skwiewoooot! Een onverschilligheid is in hem geslopen. Een onverschillige waanzin. De angst beteugelen door het noodlot te tarten, door het vierkant uit te lachen. Woehoewoewoewoeeee! Terwijl de thee staat te trekken loopt hij toertjes rond zijn bureau, waarbij hij breed met de armen flappert, als was hij Icarus of een andere idioot met vleugels. Zou hij een vogel willen zijn? Nee, zo’n vogel leidt een bestaan dat niet minder onbenullig is dan het zijne. En trouwens, hij heeft hoogtevrees. Bestaan er vogels met hoogtevrees? Struisvogels misschien, of pinguïns. Als hij kon vliegen en zijn hoogtevrees zou overwinnen, dan vloog hij hier snel vandaan. Wat heeft een vogel hier te zoeken, tussen al die mensenrommel? Een onbewoond eiland, daar vloog hij naartoe. Nu ja, als hij de lotto wint dan vliegt hij ook naar een onbewoond eiland, met een vliegtuig. Of beter, hij vaart er naartoe met een jacht. En laat de rest van de wereld dan maar stikken. Op dat onbewoond eiland sticht hij Horstland, een lichtend baken in een rottende wereld. Alleen lekkere wijven toegelaten.
De kleine Horst [2]
Zijn ouders begrijpen het niet. Ouders begrijpen nooit wat, het lijkt wel alsof je niet tot ze door kunt dringen. Voor ouders is de wereld kipsimpel. Z'n moeder zegt: Als die jongens je willen pakken moet je gewoon wegrennen. Wegrennen. Gewoon. Maar ze vergeet dat die jongens harder lopen dan hij. En dan zijn er nog zijn zwakke enkels die hij al verzwikt als hij op een kiezelsteentje trapt, waarna hij nog slechts strompelend z'n weg kan vervolgen. Z'n vader zegt: Gewoon terugvechten. Slaan. Of schoppen. Alsof hij dat nooit geprobeerd heeft. Maar met slaan en schoppen heeft hij zelfs nog nooit iemand kunnen ráken, want als zijn uitschietende vuist of voet de locatie bereikt waar het beoogde doel zich zou moeten bevinden, blijkt dat al naar een geheel andere plaats te zijn verhuisd en kan hij weer helemaal overnieuw beginnen. Dat schiet niet op. Aan ouders heb je niks. Aan de leraar ook niet. Toen hij deze had ingelicht over het feit dat hij regelmatig door een aantal klasgenoten werd gemolesteerd werden er geen maatregelen tegen hen getroffen. Wel had hij strafwerk opgekregen omdat hij geklikt had. Klikken, dat bleek iets heel minderwaardigs te zijn, iets heel ernstigs, veel ernstiger kennelijk dan iemand in elkaar slaan. Nee, je hoefde van niemand hulp te verwachten, je stond er alleen voor. Vandaar de vlammenwerper, die al voor de helft af was, de makkelijke helft. Want het waterpistool met benzine in plaats van met water vullen was een fluitje van een cent geweest. Nu kwam het er op aan dat het straaltje benzine na het verlaten van de loop op precies het juiste moment in brand werd gestoken, bijvoorbeeld door de vlam van een aansteker, maar hij is er nog niet uit hoe dat praktisch gezien in z'n werk zou moeten gaan. Toch komt het hem voor dat hij er iets op zal vinden als hij er maar genoeg tijd in steekt. Ondertussen droomt hij alvast over hoe het er uit zou zien: de brandende benzinestralen die de vijand raken, de verbazing op het gezicht, dan de angst, de pijn en de wanhoop. Gevolgd door het schreeuwen en gillen. Want het is natuurlijk geen pretje om in de fik te staan. Medelijden voelt hij niet, ze hebben het er immers zelf naar gemaakt, wel krijgt hij het warm van binnen. Het geestesoog van de kleine Horst kan er maar geen genoeg van krijgen en laat de film telkens weer opnieuw afspelen. Hij vraagt zich af of het pistool niet wat groter zou kunnen zijn, meer een watergeweer. Of beter nog: een watermitrailleur, waar twee, vier, waarom geen zes brandende benzinestralen per seconde uit schieten? Hij zou vele technische problemen moeten oplossen om dat voor elkaar te krijgen, maar hij was toch slim en had hij op z'n laatste schoolrapport geen negen voor handenarbeid gekregen? Op dat moment wordt hij in zijn overpeinzingen gestoord door z'n moeder die hem roept voor het avondeten.
De ambtenaar [17]
Kwart voor twee. Nog meer dan drie uur te gaan. In principe kan hij vroeger stoppen, maar dan loopt hij meer risico om gezien te worden. Tussen vier en vijf loopt het gebouw leeg. Iedereen moet dan door de gang passeren. Horst wacht altijd tot half zes, dan is er zowat niemand meer, dan staat zijn fiets daar helemaal alleen in het kot op hem te wachten.
Laat hij zich maar eerst eens fatsoeneren, het vuil uit zijn gezicht vegen. Hij spoelt het toilet door, luistert even aan de deur, open het hokje en wast zich vliegensvlug de handen. Luisteren aan de volgende deur. Zijn hart bonst zo hard dat hij nauwelijks iets anders kan horen. Hij trekt de deur open en kijkt door de kier. Niemand. Zo snel hij kant spurt hij de gang over, de deur naast de drankenautomaat binnen. Bijna dondert hij van de trappen af. Ook dat nog. Hij weet zich nog net aan de balustrade vast te grijpen. Zijn hele lijf trilt van de doorstane spanningen. Laat het avontuur maar aan de avonturiers. Horst heeft het wel gehad. Zijn hoofd doet pijn, zijn hele lijf doet pijn. Voorbij de archiefkasten, naar zijn bureautje, naar de spoelbak en de kraan. Het hoofd onder stromend lauw water. Veel haar heeft hij gelukkig niet. Het water in de spoelbak kleurt zwart. Met beide handen wrijft hij zich door het gezicht.
Hoort hij iets? Angst grijpt hem weer eens bij de keel. Snel draait hij de kraan toe. Nadruppend blijft hij boven de spoelbak hangen, luisterend naar wat er allemaal gebeurt. Maar hij hoort niets, enkel drup drup drup. En ook bons bons bons, want zijn hart gaat weer tekeer of er gebeurt ik-weet-niet-wat. Vaak heeft hij schrik dat zijn hart het zal begeven, dat het een laatste slag zal slaan en er dan voor goed mee ophoudt. Zijn borst doet pijn. Het is de angst die zijn hart samenknijpt. Een schuw hert, dat is zijn hart. ’t Is niet gemaakt voor avontuur. ’t Is zelfs niet gemaakt voor zijn grijze leventje waarin er nooit echt iets gebeurt. Zelfs in dat saaie bestaan schrikt het voortdurend op en brengt het zijn hele lijf in gevaar door als een zot te jagen. Nog een geluk dat hij zo jong is. Nu kan hij het nog wel verdragen. Maar stel nu eens dat hij een oude man zou zijn. Nee, dan is dat hart een tijdbom. Hij ziet zichzelf al bezig als ouwe peer, met de hand op het hart, voortdurend in angst dat het gaat ploffen. Sommige mensen zijn niet gemaakt om oud te zijn. Geef hem de eeuwige jeugd, de eeuwige herkansing. Oud zijn overleeft hij nooit, de angst voor het nakende einde zou hem te veel worden. Het is zoals bij een mondeling examen, of een tandartsbezoek: als er nog volk zit te wachten, volk dat eerder binnen mag, dan kan hij de zenuwen wel onder controle houden. Maar hoe kleiner de rij voor hem wordt, hoe harder zijn hart gaat jagen en hoe groter de storm in zijn hoofd wordt die alle zekerheden wegblaast. Een blad in de wind is hij dan, zonder enige controle over zijn lot.
De ambtenaar [16]
Het tweetal fatsoeneert zich. Horst hoort het ruisen van kleding tegen huid, hij hoort ritssluitingen sluiten en drukknopen dicht knippen. Hij hoort ook gegiechel, lieve woordjes en kusjes. Daar walgt hij van, van lieve woordjes en van kusjes. Fezel fezel, smak smak. Bol het af verdomme, mijn kelder uit!
Wat doet die nu? Zeg dat het niet waar is! De oud-collega gooit iets weg tussen de archiefdozen. Drie keer raden wat dat is. Nu is heel zijn kelder bezoedeld! Een bevlekt soldaat en zijn arme bureaustoel en… Hij ruikt het zaad al, het geil en het zweet. Straks kan hij tussen de archiefdozen ook nog op zoek naar een gebruikt condoom. Gadverdamme! Beheers je Horst, beheers je jongen, anders loopt het hier niet goed af. De leverancier van frisdrankautomaten ligt boven op de archiefkast een neukend koppeltje te bespieden, leg dat maar eens uit.
Ze gaan weg. Er komt een einde aan de lijdensweg. Bij het buitengaan knipt de collega de lichten uit. Hillary ligt daar bovenop zijn berg, zwart van het stof en hij ziet geen hand voor ogen. Zijn lichaam wil ontlasten en hij durft de gang niet op. Op de tast kruipt hij van de kast. Aarzelend zijn voet naar beneden, zoekend naar steun. Drie meter hoog, dat mag hij niet vergeten, als hij valt kan hij zich aardig bezeren. Voorzichtig, één been, ja, en dan het andere. Zijn handen knijpen zich krampachtig vast. Ze zien vast blauw. Nee, ze zien zwart, zwart van het stof. Daar heb je nu je avontuur Horst!
Is hij er al, is het begane grond dat hij voelt? Hij zet zijn ene voet neer en dan de andere. De begane grond rolt weg onder zijn gewicht en Horst knalt met zijn knieën tegen de archiefkast. Kermend en vloekend zakt hij op de grond. Dat was zijn bezoedelde bureaustoel die hij voor begane grond hield. Nu ligt hij daar en hij weet niet waar kruipen van ellende. Hij weet wel waar kruipen en hij kruipt er recht naar toe. Leer hem zijn kelder kennen! En kruipen doet hij niet, hij staat met enige moeite recht en mankt naar de lichtschakelaar. Daar, hij heeft hem al gevonden. Een vreemd gevoel, zo van pikdonker naar verlicht. Alsof hij uit een droom stapt. Of er recht in. Daar staat die vervloekte bureaustoel te stinken, en daar moet dat kapotje ergens liggen. Wat eerst? De hoogste nood ledigen! Angst of niet, hij moet de gang op, hij kan niet anders. De trap op, voorzichtig de deur open. Luisteren, goed luisteren vooraleer hij verder gaat. Niemand? Snel als een kat de gang over, de toiletten binnen. De lichtcensor, de lichten knippen aan. Hij ziet zichzelf in de spiegel, als een slecht geschminkte zwarte piet. Lang blijft hij niet voor de spiegel staan. Hij sluit zich op in zijn hokje, hij zet zich neer en laat de doorstane spanning uit zijn lichaam vloeien.
De ambtenaar [15]
De oud-collega van Horst komt de archiefruimte binnen. En hij is niet alleen, er is ook een vrouw bij. Horst kan haar gezicht niet goed zien, hij staart recht tussen haar borsten. Van bovenuit gezien is het een lekker wijf.
‘Wat is dit hier?’ hoort hij haar vragen.
‘De oude archiefruimte,’ zegt de oud-collega, ‘die wordt niet meer gebruikt.’
‘Waarom brandt het licht dan nog?’
‘Iemand is het vast vergeten uit te doen’.
‘Het ruikt hier naar kelder.’
‘Met een beetje goede wil ruikt het naar spaghettisaus.’
Horst volgt de conversatie vanop zijn berg. De spanning, de adrenaline, het slaat hem op zijn darmen. De oud-collega duwt het lekkere wijf tegen de archiefkast waarop Horst ligt. Hij voelt de kast bewegen. Nee, hij durft niet meer te kijken, hij drukt zijn gezicht in de vuile stoflaag en knijpt zijn ogen dicht. Als hij hen niet ziet, dan zullen zij hem ook wel niet zien. Als struisvogels het kunnen, dan kan Horst het ook.
Het praten stopt. Andere geluiden bereiken nu de oren van Horst - twee schotelantennes zijn het, geen geluid ontsnapt eraan. Het metaal van de archiefkast lijkt alles te versterken. De archiefkast begint vervaarlijk te schudden. Bonk, bonk, bonk. Die twee daar beneden sussen elkaar. Ze willen niet betrapt worden. Wat nu? Het bonken tegen de kast stopt abrupt, en na een moment van stilte weerklinkt er een vertrouwd gepiep. Horst kijkt verontwaardigd op. De oud- collega heeft plaats genomen op zijn bureaustoel en het lekkere wijf zit achterwaarts op hem. Een blote zwetende reet op zijn bureaustoel! ‘Verdomme!’ wil hij roepen, maar hij zwijgt en bijt nijdig op zijn lip. Die stoel moet nog jaren mee. Hoe gaat hij die nog ooit proper krijgen? Vuil reetzweet trekt in het stof van zijn enige stoel, en al wat hij kan doen is het lijdzaam aanzien.
Het begint daarboven, in die smalle ruimte tussen de archiefkast en het plafond, kwalijk te ruiken. Het is de spanning, hij kan er niets aan doen. Warme lucht stijgt gelukkig, dus die twee daar beneden zullen het vast niet ruiken. Stel je voor dat zijn gebakken lucht hem verraadt. Dat zou best komisch zijn. Er verschijnt een grijns op zijn gezicht, dat inmiddels behoorlijk zwart ziet van het stof. Klets, klets, piep, piep, kletserdekletserdeklets, pieperdepieperdepiep. Het gaat behoorlijk snel nu, een teken dat het einde nabij is. Sussen helpt niet meer, die twee lossen rauwe kreten. Als ze de hele bovenverdieping maar niet naar beneden halen. Dan is hun spel hier uit, maar ook het spel van Horst. Zolang die twee maar in het archief blijven en niet naar achter lopen, waar zijn bureautje staat, waar zijn computer nog staat te draaien en waar zijn afwas aan het uitdruppen is. Misschien nog een geluk dat zijn bureaustoel hier stond en niet daar, anders waren ze vast op zoek gegaan naar een plekje om comfortabel te kunnen wippen. Bah, dat zweet laat vast plekken na, en wat zal het vies ruiken! Vandaag gaat hij er alleszins niet meer op zitten. Maandag brengt hij wel een kussentje mee van thuis, iets om de vuile plek mee weg te moffelen. Hopelijk maken ze er geen gewoonte van.
De kleine Horst [1]
De kleine Horst verkeert in hevige tweestrijd: moet hij de komende oudejaarsavond nu wel of niet zelf vuurwerk afsteken? Hij kan zich tenslotte ook beperken tot louter toekijken, dat is zonder risico en kost niets. Hij heeft schrik van vuurwerk, de waarschuwingsfilmpjes van de overheid op de tv over kinderen met afgerukte vingertjes zijn wel aan hem besteed, hoewel de jongens in de buurt er hard om moeten lachen. Stommelingen. De kleine Horst vreest niet zo zeer voor z'n vingers alswel voor zijn ogen. Want hoe kwetsbaar zijn die wel niet, hoe makkelijk raken die wel niet beschadigd! Hij werd al beroerd als hij er alleen maar aan dacht. Vorig jaar hadden zijn ouders na lang zeuren een bril met gewoon vensterglas voor hem gekocht. Het dragen ervan bood geen volledige garantie tegen blindheid veroorzaakt door ontploffend vuurwerk, maar de kans daarop werd toch aanzienlijk gereduceerd. Toch was het dragen van de bril geen succes geweest. Hij had een buurjongen er over ingelicht en deze had het aan iedereen doorverteld. Toen de klok op oudejaarsavond 12 uur had geslagen en hij zich met plastic tasje en brandende filtersigaret [veiliger dan een aansteker!] buiten de deur had gewaagd, was hij van alle kanten bekogeld met aangestoken vuurwerk en had zich omhuld door dichte kruitdampen terug moeten trekken in de beschutting van de ouderlijke woning. Een herhaling van deze onverkwikkelijke gebeurtenis wilde hij dit jaar liever voorkomen, maar hoe moest hij dat aanpakken? In ieder geval kon er geen sprake van zijn dat hij zich zónder bril buiten de deur zou wagen, want dat was gekkenwerk. Hij had een neefje dat zich bezig hield met op afstand bestuurbare auto's en helicopters, misschien zou die ook wel in staat zijn iets te bedenken waarmee je vuurwerk buiten tot ontbranding kon brengen terwijl je zelf veilig binnen zat. Maar zeker wist hij dat niet. Bovendien woonde het neefje een heel eind weg en was er te weinig tijd, oudejaarsavond was al over 2 dagen. Volgend jaar, ja, dat zou misschien wel kunnen, maar daar had hij nú niets aan. Wat dan te doen? Een hele, hele lange lont misschien, die je binnen kon aansteken? Dat zou misschien iets zijn, maar hoe kwam je daar aan? Wacht, er waren hele kleine rotjes die met elkaar verbonden waren door een lange lont. Als ze afgingen klonk het als een mitrailleur: rettekkettettet! Het zou een heel karwei zijn om de lont van de rotjes te scheiden, maar het zou kunnen werken. Jammer genoeg zat je daarna met honderden minirotjes die allemaal voorzien waren van een eigen lontje dat aangestoken moest worden. Korte lontjes waren dat. Verontrustend korte lontjes... Nee, daar had hij weinig trek in. Maar de rotjes weggooien kon ook niet, want dan zouden z'n ouders vragen waar ze waren gebleven en gaan klagen over het zuurverdiende geld dat er aan was besteed. Op dat moment wordt hij in z'n overpeinzingen gestoord door z'n moeder die hem roept voor het avondeten.
De ambtenaar (14)
Horst glijdt over de vuile tegelvloer. Zijn beetje buiten binnen. Zijn beetje boven hier beneden. Moet er nog zand zijn! Wie zei dat ook al weer? En waarom? Natuurlijk moet er geen zand meer zijn. Er is zand genoeg. Zand is overal. Zelfs op Mars. Dat is één grote zandbak. Wel gek eigenlijk, dat zand. Wie verzint zoiets? Water, ja, daar kan hij het nut nog van inzien. Maar zand? Horst had als kind een grote zandbak. Daar zag hij het nut ook al niet van in, maar zijn ouders vonden het kennelijk wel nodig dat hij een zandbak had. Voor Horst was het een portaal naar een andere wereld. Het enige wat hij in die zandbak deed was graven. Graven tot zijn vader het gat weer dicht maakte. Heel erg diep is hij nooit geraakt. Na anderhalve meter of zo stootte hij op harde zwarte grond. (Wat is het verschil tussen zand en grond? Niets is zo simpel als het lijkt.) Af en toe vond hij eens iets. Een stuk porselein, of iets van metaal. Maar geen spoor van dinosauriërs, geen magma, geen geheime ondergrondse wereld. Die zandbak was een grote teleurstelling. Eigenlijk is Horst wel een avonturier. Kijk, hij krijgt nu zelfs zin om te gaan graven, om die tegels hier uit te breken en een heel diep gat te graven. Hij zou dieper willen graven dan een mens ooit gegraven heeft. Tot het zand op is. Moet er nog zand zijn!
Helemaal opgepept, klaar voor avontuur. Maar wat valt er in zijn kelder te beleven? Zanderige vloer, archiefkasten, bureautje, aanrecht en kookfornuis. Daar kan zelfs de grootste avonturier niet veel mee aanvangen. Of wacht eens… ja natuurlijk! Er op af! Horst rolt in zijn bureaustoel naar het archief. Daar staan ze statig, wel drie meter hoog. Het zijn geen soldaten, het zijn bergen. Het is de Mount Everest, en Horst is Hillary. Hij maakt een scherpe bocht en botst op een archiefkast. Met dichtgeknepen ogen tuurt hij de hoogte in. De berg is steil, er is weinig houvast. Dat wordt een heel karwei. Eens in de handen spuwen? Nee, dat is vies en nutteloos. Waarom zou je beter klimmen met speeksel op je handen? Om een blad papier om te draaien kan het helpen, maar daar houdt het dan ook op. Goed, hier gaan we dan. Linkervoet op het eerste schap. Stevig genoeg? Ja, het lijkt te houden. Beide voeten op het schap. De kast wankelt niet. Die staat stevig. Vol vertrouwen klimt hij op het volgende schap, terwijl hij zijn handen aan de kast vastklemt. Had hij nu maar een touw. Zweterige handen. Hij moet zijn greep vernieuwen, hij glijdt weg. Weg vertrouwen. Doorgaan of opgeven? Wat is er aan de top? Stof en eer. Eer en stof. Vooruit, hij klimt nog een schap hoger. Hij kan de top voelen. Een dikke laag stof, zoals verwacht. Voldoende ruimte tussen de top en het plafond om tussen te kruipen. Betere grip nu hij de bovenkant van de kast kan grijpen. Één been vertrekt al de hoogte in. Maar dan, geluiden op de trap. Nee, hij vergist zich niet, geluiden op de trap, en ze worden luider. Erop of eronder nu. Wat moet hij doen? Geen tijd voor twijfel! Met al de kracht die hem nog in de armen zit trekt hij zijn lijf omhoog, de kast op. Hij schuift zich tussen kast en plafond. Zijn gezicht net boven een dikke laag stof. Dan gaat de deur open. Stop met ademen, longen, stop met kloppen, hart, straks horen ze jullie nog!
De ambtenaar [13]
Met zichtbare moeite slikt hij de spaghetti weg waarop hij erg lang heeft zitten kauwen. Zijn keel is wat gezwollen. Zijn keel is altijd wat gezwollen. Het is iets chronisch. Wanneer hij zenuwachtig is steekt het de kop op. De eetlust is hem over. Hij kapt zijn bord leeg in de vuilnisbak en spoelt het af onder de kraan.
Waarom is hij zoals hij is en is hij niet niet de langharige gebruinde held uit lang vervlogen puberdromen? Horst de onverschrokken koene grunge held, die met één blik van zijn grote groene ogen alle meisjesharten veroveren kon. Die held verbeeldt hij zich al lang niet meer te zijn. Zijn haar is kort nu. Hij scheert het zelf met de tondeuse. Met duim en middenvinger verkent hij de kale inhammen op zijn schedel. Helden sterven, lafaards blijven bestaan. Laffe hond, laffe hond. Och nee, kom, hij ziet zichzelf toch graag. Kijk hoe liefdevol hij zich nu over de kruin streelt. Ondanks alles heeft hij zichzelf nog lief, en dat is belangrijk in het leven. Zonder eigenliefde is het met een mens gedaan.
Hij laat warm water in de spoelbak stromen. De handen onder het warme water. Palm, rug, palm, rug. De warmte trekt naar heel zijn lijf. Een rilling van genot glijdt over zijn ruggengraat. Prut prut, wat afwasmiddel erbij. Nogmaals prut, maar dan in de lucht. Kleine zeepbelletjes zweven in het rond. In een heerlijk frivole bui begint hij aan de afwas. Hij staat in zijn T-shirtje. Zijn trui heeft hij met een ruim gebaar uitgezwierd, die hangt nu als een slappe vod aan de rand van zijn bureau. Terwijl hij met krachtige ronde gebaren het keteltje schoonveegt, bekijkt hij zijn armspieren. Was er nu maar iemand die hem bezig zag. De spieren, die hij nu al jaren onderhoudt door viermaal in de week met gewichtjes in de weer te zijn, staan daar bol voor niets. Als meertouwen zijn de spieren om mijn armen geslagen, zegt hij tegen kletsmajoor. Als meertouwen, dat heeft hij eens ergens gelezen.
Maar wacht eens. Verdorie toch, het is weer van dat. Hoe komt dat toch? Altijd heeft hij het voor als hij aan de afwas staat. Hij schuurt nochtans niet tegen het aanrecht aan. En toch. Herstellen maar, en nu meteen, want dat voelt zo naakt en koud en gevoelig. Hij droogt zijn handen en grijpt in zijn broek om de voorhuid terug over zijn eikel te trekken. Een van de mysteries uit zijn zotte bestaan. Toen hij eens aan een collega vroeg of diens voorhuid ook naar achter kroop telkens hij aan de afwas stond, kreeg hij alleen een rare blik.
De ambtenaar [12]
Half één, etenstijd. Het potje spaghettisaus staat in een plasje smeltwater op het aanrecht. Horst zet twee keteltjes op het vuur. De grootste ketel vult hij met een bodempje water, de rest van het water is voor kletsmajoor. Kletsmajoor krijgt nu heel wat te slikken. De blok halfbevroren saus dropt hij in het kleinste keteltje. Hij giet er wat arachideolie over. Het schijnt gezond te zijn om klaargemaakte tomaten nog eens met wat olie te overgieten als je ze opwarmt. Hoe het juist zit weet hij niet meer, maar het zou goed zijn tegen kanker. Met een vork probeert hij de brok saus in stukken te hakken, maar de brok is nog te hard. Hij zet het vuur op maximum.
Ting! Kletsmajoor heeft het al voor elkaar. Het bodempje water in de ketel kookt ook. Uitstekende timing! Hij voegt het water samen. Dat blijft lustig verder koken. Busseltje spaghettisprietjes in twee breken en in het water. Vier minuutjes laten koken. ’t Zijn dunne sprietjes. Is die brok saus nu al wat zachter? Ja kijk, hij brokkelt makkelijk af, als de gletsjers in Groenland. En die ijsberen maar springen, van brokje ijs naar brokje ijs. Zitten er wel ijsberen, in Groenland? Och, wat geeft het. Springen moeten ze, hop hop! Horst zit ze op de hielen met zijn vork. Hij breekt de gletsjers af, hij bespoedigt de opwarming van de aarde. Weldra is er geen brokje ijs meer over. Bellen barsten zuchtend open aan het sausoppervlak. Het lijkt wel lava. De hel in een potje.
Om de spaghetti te testen smijt hij hem niet tegen de keukenmuur. Waarom zou hij? Mensen die dat doen, daar scheelt iets aan. Hij vist gewoon een sprietje uit het water en steekt het in zijn mond. Bijna klaar. Het vergiet mag al op zijn plaats, met de oren achter de rand van de spoelbak. Het past perfect. Die vergietmaker is niet van gisteren.
Hij zet het bord op het kleine keukentafeltje, en rolt de bureaustoel aan, want een extra stoel heeft hij niet. Daar liggen ook wat kranten van de voorbije week. Die heeft hij uit de papierbak boven gegraaid. Zonder kranten zou zijn middagmaal maar kaal zijn, hier in zijn kelder. Wat is er deze week weeral gebeurd in die wereld waar hij zo weinig deel aan heeft? Oorlog, moord, vliegtuigcrash, ontvoering, politiek schandaal. Ofwel gebeurt er elke week hetzelfde, ofwel weten die journalisten niets anders om over te schrijven. Wat zou hij schrijven als hij journalist was? Hij zou schrijven over de wolken die overdrijven, en over de figuren die hij daar in zag. Hij zou schrijven over de zon die even door de wolken brak, en over het vooruitzicht van een heerlijke lente. Misschien schreef hij ook wel over de geneugtes van een kopje thee, en over het gunstige effect van olie op klaargemaakte tomatensaus. Een stukje proza zou ook niet misstaan, over de eenzaamheid en het verlangen naar de liefde, die waarschijnlijk een illusie is. Het zou een mooie krant zijn, met veel foto’s van lachende meisjes. Naakte meisjes, dansend in het licht van de aangekondigde lente. Meisjes met harige venusheuvels, zoals ze dat vroeger hadden. Niet van die kaalgeschoren moderne trienen met een mobieltje in de hand en een ipod in de oren. Echte meisjes, met haar. Meisjes van vlees en bloed, met ogen die een ziel ontbloten en niet de glossy grijsheid van een hol bestaan.
De ambtenaar [11]
Horst blijft als aan de grond genageld staan. Is hij zonet weggekomen met die leugen? Daar lijkt het wel op. Hij voelt een zweetdruppel over zijn rug glijden. Verman je! Je staat hier volledig onbeschut! Een vogeltje voor de kat! Snel, de toiletten in, je hokje binnen, en deur op slot. Broek afstropen, zitten, en laten gaan wat gaan moet. De binnenkant van zijn onderbroek is nat vanachter. Een vochtige streep.
Als die collega nu maar niet gaat rondbazuinen dat hij hem hier heeft gezien. Slapende honden wakker maken om hem in de reet te bijten. En wat dan? Veel te jong om aan pensioen te denken. Terug de arbeidsmarkt op? Waar kunnen ze iemand als hem gebruiken? Geen kwaliteiten, geen nuttige kennis, geen vaardigheden. De fabriek in! De straten vegen! Nee, die blootstelling kan hij niet verdragen. De beslotenheid, de eenzaamheid, dat is zijn natuur geworden. Sparen moet hij, sparen zoveel hij kan. Onafhankelijk zijn. Hoeveel jaar nog, tien, vijftien? Na vijftien jaar heeft hij een aardig potje gespaard, dan kunnen ze hem niets meer maken. Vijftien jaar nog? Dat haalt hij nooit. Zo lang kan hij zich toch niet verstoppen? Hij heeft een plan nodig. Een geniale inval die hem pakken geld oplevert. Hij staart naar de vertrouwde witte toiletdeur en denkt na. Hij denkt zo diep hij kan. Hoe doe je dat, diep denken? Moet hij als een zwemmer het water wegduwen om dieper te geraken? Er is enkel leegte in zijn hoofd. Zijn hoofd zijgt langzaam neer terwijl hij dieper afdaalt in de krochten van zijn geest. Wat een verkrampte uitdrukking heeft hij op zijn gezicht, alsof hij werkelijk fysiek de inspanning levert om dieper en dieper te duiken.
Veel nuttige ideeën komen er niet. Waar blijft dat licht dat een mens plots opgaat? Op de lotto spelen, dat is zowat het enige dat hij kan bedenken. Maar die kans is belachelijk klein. En hij speelt nooit op de lotto. Zijn moeder speelt op de lotto, al dertig jaar. Ze heeft nog nooit iets gewonnen. Winnen zit niet in de familie. Geniale invallen evenmin. Vijftien jaar verborgen blijven, dat lijkt zijn beste optie. Als hij nu toch eens in de spoelbak pist, dan vermindert hij zijn blootstelling met… tja, met hoeveel? Hoe bereken je dat? Zes a zeven keer per dag, zes a zeven keer minder kans om gevat te worden. Misschien kan hij ook in een zakje schijten. Hij kent iemand die dat deed, omdat hij te lui was om zijn toilet te laten herstellen. Anderhalf jaar lang had die in zakjes gescheten. Nee, dat gaat hij toch niet doen, dan moet hij elke avond de gang op met een paar zakjes stront, want hij heeft actieve darmen. Maar pissen in de spoelbak, dat is zeker het overwegen waard. Zo kan hij er misschien toch nog enkele jaartjes afknijpen. Vijftien jaar? Dat lijkt onwaarschijnlijk, maar het is niet uitgesloten. Dan is hij zesenveertig. En wat dan? Dan heeft hij nog gemiddeld dertig jaar te leven. Zou hij een gemiddelde man zijn? Nee, waarschijnlijk niet. Hij kent alleszins niemand die zo is als hij. De vraag blijft dan of hij bovengemiddeld is, of eerder onder het gemiddelde zit. Zo lang mogelijk leven is natuurlijk te verkiezen, al komen er heel wat beslommeringen bij kijken. Horst als oude man. Grijs haar en rimpels, krakende knoken. Een prostaat die niet meer meewil en een hart dat het elk moment dreigt te begeven. Als hij bejaard is, dan komt hij vast zijn bed niet meer uit, om dat oude lijf te sparen, om alle beetje leven dat nog rest er voorzichtig uit te knijpen.