schuirink.net
main destinations: home | the web & the world | out of here
Google

news headlines

News headlines collected from 505 newsfeeds.

bicat.net

url: http://www.bicat.net

De voordelen van dementie


Als iemand die aan dementie lijdt valt het me telkens weer op hoe negatief er over het algemeen over deze ziekte door buitenstaanders gepraat en geschreven voort. Ik wil zeker niet ontkennen dat er aan het dement zijn nadelen verbonden zijn, maar daar staan mijns inziens evenzovele voordelen tegenover. Zo komt er verscheidene malen per dag een.. eh.. een.. kom, hoe heten ze nou, van die wezens met een jurk aan.. o ja een vrouw die me iets te eten en/of te drinken komt brengen. Er komt een vrouw die me iets te eten en/of te drinken komt brengen. Ja. En dan ben ik verheugd, want ik ben een groot liefhebber van eten en drinken, daar kunnen ze me desnoods 's nachts voor uit m'n bed halen. Maar daar blijft het niet bij. Want die vrouw blijk ik dan niet te kennen, het is een volkomen onbekende vrouw. Dus informeer ik wie ze is en dan zegt ze haar naam, maar die heeft geen enkele betekenis voor me en dan legt ze uit dat ze mijn vrouw is. Mìjn vrouw! En dan word ik uitbundig van vreugde want niet zelden zit ik te denken: Ik ben een oude, zieke man en welke vrouw wil er nou een oude, zieke man die ook nog moeilijk ter been is? En dan ben ik bevreesd dat ik nooit met een vrouw in het huwelijk zal kunnen treden. Maar dan blijkt dus dat ik me voor niets zorgen heb zitten maken omdat ik al een vrouw hèb! Mooie momenten zijn dat en ik beleef ze iedere dag verscheidenen malen. En er is meer. Af en toe komen er een mij onbekende man en vrouw van middelbare leeftijd op bezoek en nadat ze hebben uitgelegd dat ze mijn kinderen zijn spring ik een gat in de lucht van blijdschap! Want ik heb altijd graag kinderen willen hebben, maar dacht dat dat er op mijn leeftijd, en ook mede gezien het feit dat ik geen vrouw heb, niet meer van zou komen. En nòg zijn we er niet, want de onbekende vrouw die me steeds van etenswaren en drank voorziet en bij nader inzien telkens mijn echtgenote blijkt te zijn, klaagt vaak dat er zoveel herhalingen op de kijkbuis zijn en ze kan best gelijk hebben maar ik merk daar persoonlijk in het geheel niets van. Integendeel, iedere avond kijk ik weer op van het verfrissende aanbod. Zo is er laatst een nieuwe, spannende serie van start gegaan waarin een man in nauwe samenwerking met een pratende auto de misdaad te lijf gaat. Ook kijk ik graag naar natuurprogramma's en verbaas me er dan over hoeveel dieren er zijn waar ik nog nooit van gehoord heb. Zo zag ik laatst een dier met een hele, hele lange nek dat blaadjes van de bomen at. Nee, je kan natuurlijk beter gezond zijn, maar al met al ik vind dat ik het met mijn ziekte nog niet zo slecht getroffen heb.

Wondvocht 7: Diagnose


Geurts hijgde en zijn knieën deden pijn; hij zou er nooit aan wennen, al die oude woningen met smalle trappen. Vaak had hij zijn zaken op drie hoog. En hij was ook de jongste niet meer. Vooral de nachtoproepen vielen hem steeds zwaarder. Als het kon liet hij zijn jonge pupillen de klusjes op de bovenverdiepingen of in de nacht doen. “daar kunnen ze van leren”.
Maar deze zaak was anders. Hij hoorde het aan de onzekere stem van Lia op de meldkamer; en die was nog langer op het bureau in dienst dan hij…

Het licht op de trap ging alweer uit voor Geurts de woning binnenging.
Goed getimed. Het duister en de muffe geur op de gang deden hem denken aan zijn oude Hospita in oud west. Op azijn verwekt, wantrouwig als een vals nijlpaard, en mager als een spin, met een snikkende lach. In het duister in de hal van de woning hoorde hij hetzelfde soort snikken. Van de ouders.
Maar dit was anders dan de hospita; en toch ook herkenbaar. Aan de steeds harder wordende snikken herkende hij de aanwezigheid van slachtofferhulp.
Hij keek door de hal, de verlichte woonkamer in, en zag de ouders zitten.
Schokschouderend, de verslagenheid van familieslachtoffers. “familiedrama”
noemde de media het. Zelf sprak Geurts altijd over een uit de hand gelopen conflict in de relationele sfeer. Ambtelijk, maar minder op sensatie belust. Hij haatte sensatie; er kwamen reporters op af. De vragen, de flitsen, de drukte, hij kon er niet meer door nadenken. En nadenken moest hij. Ter plekke, zo snel en effektief mogelijk. Altijd. Het was bijna een soort dwangneurose. Zijn drive was niet de misère of ellende van slachtoffers; niet de woede over de misdaad of de drang om de dader opsporen. Nee; hij was rechercheur in hart en nieren; het enige dat hem bezighield was het vinden van de oorzaak. Het grote “Waarom”. En dus stelde hij zich ook nu weer de vraag: waarom hadden ze hem dan deze zaak gegeven? Het moest wel heel ernstig zijn.

Geurts liep langs de ouders naar het PD, Plaats Delict. Hij werd getroffen door de geur die vanuit de kamer kwam. Elk huis heeft zijn eigen geur.
Maar de geur van misdaad herkende hij inmiddels als geen ander.
Vuurwapens, angst, ongecontroleerd urineverlies, vers en oud bloed, hij rook al wat er gespeeld had in het moment van de misdaad voor hij het gezien had. Maar hier was een nieuwe geur, een geur die hij niet kende.

Als een politiehond volgde hij zijn neus, bijna snuffelend. De hal verder door; de kleine tienerkamer. Dit was de lucht. De lucht van vocht, nee, beter: sap. Bitterzout. Uit de kamer kwamen de bekende flitsen van de forensisch fotograaf. Geurts stapte de kamer binnen.

In de kamer lag de jongen, met ver opengereten onderarm. Op de grond, bij de kleine wastafel achterin de kamer. . Een oud en geroest Stanleymes lag naast hem op de grond. Hij had zijn andere arm diep in de wond gestoken.
Uit zijn houding bleek dat hij ook zijn hoofd in de wond had willen steken.
De wond vertoonde geen sporen van bloeding. Alleen maar een soort schraal lichaamsvocht. In de kleine wasbak bij het raam lag het hoofd van een jong meisje. Haar lippen waren afgesneden, hij staarde naar de veel te grote grijns van haar parelwitte lange tanden met braces erachter. Boven haar hoofd op het wastafelblad stond een leeg medicijnenpotje, haar lippen zaten in het potje gepropt.
Geurts pakte het potje op en las het opschrift: “3-chinuclidinylbenzilaat”.

“Stuur dit maar naar het lab” zei Geurts. Niet voor de lippen, maar voor sporenonderzoek. En zeg dat ze moeten zoeken naar BZ”. “En vergeet niet te bellen met Defensie Den haag, om deze zaak op te laten nemen in de Database Hallucigene gevolgdelicten.

Het was bijna te eenvoudig. Maar zowel zijn tientallen jaren ervaring als zijn intuïtie gaven aan dat er niet meer was. De rest van het onderzoek was voor de technische recherche.

Geurts meldde zich af bij de meldkamer. Tijd voor een pauze, een lekkere kop sterke koffie op het bureau om de geur in zijn neus te verdrijven. En dan weer op huis aan.
Hij begon de trap af te lopen, voorzichtig voor zijn pijnlijke knieën.
Naar beneden deed nog meer pijn dan naar boven de laatste tijd…

Buiten begon het langzaam licht te worden.

Mirca [50]


De liefdesrelatie tussen man en vrouw is iets wat bij mij gepaard gaat met angst. Ik heb er mij altijd over verbaasd hoe natuurlijk en vlot, ja bijna instinctief, dit proces zich bij anderen voltrekt. Ik ben niet de minstreel onder het balkon, ik zing mijn liefdeslied in afzondering en slik de woorden in wanneer het moment is aangebroken om te spreken - nee, ik vind mijn woorden niet op het cruciale ogenblik en de gebaren die ik maak zijn houterig en geforceerd. Met Ella was het niet anders. Na de begrafenisplechtigheid werd ik door een zeldzame kracht gedreven om een eerste stap te zetten. Het pad was geëffend op een ongekunstelde manier, maar de volgende dag zonk de moed mij weer in de schoenen. De sfeer en de context die de plechtigheid geschapen had waren verdwenen. Het was nu aan mij om de volgende stap te zetten. Ik voelde me weer als een kind dat leert fietsen en zich plots realiseert dat vader het fietsje heeft losgelaten. Spieren spannen zich op, zenuwen vertroebelen het gevoel van controle, in de geest speelt de mogelijkheid van een val. Dit is het moment waarop ik afstand neem, het moment waarop ik een bocht van honderd tachtig graden maak en me in veiligheid rep. Ik zat opnieuw op de Hand en keek verlangend naar het huis waar Ella samen met Lies en Martha woont. Mijn lichaam deed pijn. Een gevoel van eenzaamheid creëerde een holte in mijn borst die alleen het hoofd van Ella kon vullen. Alleen Ella kon mijn verlangen bevredigen. Alleen Ella kon mij kapot maken. In de liefde voelde ik me altijd in een slachtofferrol gedrukt: In plaats van te streven naar bevrediging van mijn verlangen, ontvluchtte ik de mogelijkheid om gekwetst te worden. Rationaliseren hielp niet om de angst te bedwingen, ik moest mijn angst het hoofd bieden. Misschien morgen. Ik stond op en wandelde terug naar de Saurus.

In de Saurus kwam ik Jacob tegen. Hij had een ruimtepak aan en droeg een helm onder zijn arm.
“Ah, Daniël. Ella zoekt je,” zei hij zonder zweem van spot op zijn gezicht.
“Is Ella hier? Waarom zoekt ze me?” Ik kon mijn opwinding moeilijk verbergen.
“Geen idee. Ze is in de ziekenboeg. Ik ga met Reno de ruimte in. Hij heeft weer een modificatie klaar voor zijn satellietsysteem. Tot later.”
“Ja, later…”

Haastig wandelde ik naar de ziekenboeg. Mijn hart klopte verwachtingsvol in mijn keel. Waarom zocht Ella me? In mijn hoofd speelde allerlei mogelijke taferelen. Wanneer ik de ziekenboeg naderde vertraagde ik mijn pas. Ik ademde een aantal keer diep in en uit, in een poging mijn hartslag te vertragen. Dan ging ik de ziekenboeg binnen. Ella zat met haar rug naar me toe gebogen over één van Ed’s notitieblokken. Ze hoorde me binnenkomen en draaide haar hoofd naar me toe. Er verscheen een glimlach om haar lippen die ik automatisch beantwoorde.
“Ik zocht je,” zei ze zacht.
“Ik weet het,” zei ik op even zachte toon, “Jacob zei het me daarnet.” Ik wandelde tot aan de werktafel en ging naast haar staan, zodat onze lichamen elkaar net raakten. “Waarom zocht je me?” Ella leek een beetje verlegen te worden. Ze nam het notitieblok van Ed en scrollde door een aantal pagina’s tekst.
“Voor Edwin stierf heeft hij me alles over zijn onderzoek naar levensverlenging verteld,” zei ze plots professioneel. “De vrucht die jij van het slavenkamp hebt meegebracht bevat het antwoord op de eeuwenoude zoektocht van de mens naar het eeuwige leven. Edwin heeft jou als eerste met het eiwit geïnjecteerd, dat ook de Vult met succes gebruikten om celdegeneratie tegen te gaan. In de Vult database staat ook een korte referentie naar het kliertje op je arm. Er is geen enkele Vult die ooit iets dergelijks ontwikkeld heeft, maar er wordt gerefereerd naar een experiment dat is uitgevoerd met mensenkinderen, enkele dagen nadat de Vult de Aarde bezetten. Eén mens op tienduizend bevat de genetische code die de ontwikkeling van het kliertje mogelijk maakt. Het is zowat de heilige graal voor de Vult. Wist je dat ze, voordat ze de Aarde koloniseerde, honderden lichtjaren ver vlogen om de planten te oogsten die nodig zijn voor het eiwit? De volledige Vult populatie is afhankelijk van een wekelijkse injectie met het eiwit. De complexe eiwitstructuur van de vruchten maken het onmogelijk om ze te repliceren, daarom hebben de Vult steeds meer grond nodig om de populatie te voorzien van het eiwit. Doordat de plant niet meer groeit op de thuisplaneet van de Vult, zijn ze gedwongen om verre planeten te koloniseren. De ontdekking van een parallelle planeet, de Aarde, kwam dan ook als een zegen. De plant is genetisch gemanipuleerd, zodanig dat ze een dag na het zaaien al vruchten draagt. Ed wilde de plant hier op Mirca kweken, zodat niemand van ons nog hoeft te sterven. Zijn experiment is geslaagd Daniël, jij zal niet meer sterven. Alleszins niet van ouderdom.”
Ella keek me aan. Haar ogen werden een beetje vochtig. Ik streelde met mijn hand over haar hoofd. “Waarom heeft hij zelf geen injectie genomen als het eiwit een mens in leven kan houden?” vroeg ik na een korte stilte.
“Teloëdase is geen geneesmiddel,” zei Ella nadat ze met een zakdoekje haar ooghoeken had droog gewreven, “het houdt de cellen en dus het lichaam jong, maar reeds aanwezige ziekten worden er niet door genezen. De kanker van Edwin was al ver gevorderd. Er was niets wat we nog voor hem konden doen.”
Ella stond recht en keek me in de ogen. Ik voelde hoe een warme gloed door mijn lichaam golfde en alle gedachten uit mijn hoofd verdreef dan die ene: Ik wil haar, ik wil haar nu. Of het Ella was die haar lippen naar me toe bewoog, of ik die de hare naderde, dat kan ik niet met zekerheid zeggen, maar onze lippen raakten, niet veel later voelde ik hoe haar tong de mijne streelde, terwijl we lichamelijk steeds inniger verstrengelden. In een laatste gecontroleerd moment gingen we, nee liepen we naar mijn vertrek. Toen de deur zich achter ons sloot lieten we alle remmingen los die de geest het lichaam heeft opgelegd.

Wachten op Lassie


De donkere Decemberdagen waren altijd erg donker. Al vlak na etenstijd werden de zware gordijnen dichtgetrokken en daar zat ons gezin dan in de krappe, taps toelopende, en met meubilair volgestouwde huiskamer: vader, moeder, mijn twee zusjes en ik. Op onszelf teruggeworpen. De angst en de beklemming, het gevoel opgesloten en tot elkaar veroordeeld te zijn, het staat me nog bij als was het gisteren. Ja, daar zaten we dan met z'n vijven in het enige verwarmde vertrek in huis, wachtend op de dingen die komen gingen. Maar veel meer dan een aflevering van Flipper of Lassie zat er meestal niet in. Het zal dan ook in dìe tijd zijn geweest dat de basis voor mijn beschouwelijke kijk op het leven werd gelegd. Want, zo vroeg mijn ongeveer twaalf jaar oude hoofd zich af, wat heeft de man en vrouw die mijn ouders zijn, bezield, dat zij zich veertig jaar lang hebben uitgesloofd om deze situatie te bewerkstelligen? Dat je met z'n vijven op Lassie zit te wachten... Ik kwam er niet uit.

De benauwdheid nam ieder jaar na Sinterklaas nog wat wat toe omdat ons toch al volle interieur dan verrijkt werd met een kerstboom in vol ornaat en een kerststalletje dat op het dressoir ten toon werd gesteld. Althans, zo was het altijd geweest. Maar dit jaar was het toch iets anders, want mijn vader had het, om onduidelijk blijvende redenen, nodig gevonden onze miniatuurkerststal in te ruilen voor een kloeker exemplaar. Een veel kloeker exemplaar. Een heel veel kloeker exemplaar. Jezus, Maria en de drie wijzen, ze waren minstens een halve meter hoog! En de kameel.. Je begreep ineens heel goed waarom ze die het schip van de woestijn noemden.. En de ezel en de os waren zo gigantisch dat je de neiging moest onderdrukken om een gesprek met ze te beginnen.. Het dressoir bleek veel te klein om de hele familie onder te brengen - er was ook nog een os en een hele verzameling schapen en geiten - en dus moesten er allerlei kastjes, krukjes en kartonnen dozen worden aangeschoven. Het resultaat was dat je niet meer het gevoel had dat zij bij jòu op bezoek waren, maar jij bij hùn. Toen werden de gordijnen dichtgeschoven. Het wachten op Lassie kon beginnen.

Het Nachtspook


Mijn vader had het helemaal gehad denk ik. Niemand weet precies waarom hij het heeft gedaan, maar op een avond reed hij weg en kwam nooit meer terug. Sommigen zeggen dat het om een vrouw ging, anderen zeggen dat hij verwikkeld was in duistere zaakjes; drugs, wapensmokkel, dat soort dingen. En weer anderen zeggen dat hij simpelweg op was en dat het dieper gaat dan woorden ooit zullen kunnen vertellen. Maar, ik weet het nog steeds niet en zoals het er nu naar uitziet, zal ik het ook nooit weten. Misschien moet het ook verborgen blijven…ik vraagt me wel af; hoe goed kende ik mijn vader eigenlijk? Wie was hij echt? Wat dreef hem? Wat deed hem besluiten om weg te gaan? En dan moet je jezelf antwoorden dat je het niet weet en dat je hem eigenlijk helemaal niet kende. Het is gek, je vader is je vader en niet een mens die je kent zoals je bijvoorbeeld je vrienden kent. Hij was gewoon mijn vader en verder dacht ik er niet veel bij.
Vanzelfsprekend, dat is misschien nog wel het woord dat het best aangeeft wat mijn vader voor mij was, vanzelfsprekend.

Het begon allemaal een aantal maanden geleden. Het viel ons op dat hij stiller was dan normaal. Geen grapjes meer als hij thuis kwam van zijn werk, geen vragen meer naar hoe onze dag was geweest en hoe het op school was. Hij leek zich steeds meer af te sluiten, verder weg te drijven. Net een wolk die langzaam aan de horizon verdween.. En toen op een dag had hij zomaar een motor gekocht en ging rijlessen nemen. En niet zo maar een motor, nee een heus Japans racemonster van 1100 cc. Ging over de 300 zei hij een keer. Een tijdje daarna was hij geslaagd en mocht hij er op rijden. Mensen grapte over een midlifecrisis, maar op die avond reed hij weg en is nooit meer terug gekomen.
Hij reed, zo zei men -niet lang nadat we beseften dat hij niet meer terug zou komen- rond. Rond. Constant rond. ’s Nachts. Op de A10, de grote ringweg om Amsterdam heen. Niet dood of vermist, nee, hij reed rond. De ene keer zei men dat hij gezien was in de buurt van de Coentunnel, dan weer, na een lange tijd niets gehoord te hebben, waren er geruchten dat hij was gezien in Zuid-Oost. Maar nooit wist men het zeker, het bleven verhalen, speculaties.

Ik kon er niet tegen, ik moest het weten, ik ging hem zoeken. Nachten hing ik rond bij op-en afritten. Speurend, zoekend, pratend met pompbediendes en vrachtwagenchauffeurs. Allemaal hadden ze van hem gehoord, de zwarte motorrijder, de man op de ring; het nachtspook noemde ze ‘m. Sommigen hadden hem gezien terwijl hij op de andere weghelft reed of terwijl hij ze ’s nachts inhaalde, maar niemand kon me vertellen waar hij was of hoe ik hem kon vinden. Mijn leven ging zich ’s nachts afspelen. Ik jaagde op een spook, het spook dat mijn vader was. Langzaam maar zeker werd ik net als hem en ik bedacht me dat juist dit de manier moest zijn om hem te pakken te krijgen.
Ik werd onderdeel van het leventje dat zich ’s nachts op en langs de snelwegen afspeelt. De geur van benzine en olie. Uitlaatgassen, en wat niet. Vettig auto’s, vrachtwagens sputterend en hoestend. Brakende uitlaatpijpen, snel zoemende pijlen van auto’s. Het mee wuivende gras, de snelheid, de insecten die tegen het raam te pletter slaan, Repen rubber op de weg. Chocolade, peuken en kauwgom, vieze toiletten, kleffe broodjes kaas-en-tomaat, koude koffie, de telegraaf in een rekje bij de ingang. Naast de bloemen.

En toen, na twee of drie maanden, kreeg ik de tip. De man had de starende blik van iemand uit het wereldje, zijn ogen lagen diep in een holle kuilen van blauwe lever en geel leer. Hij fluisterde, alsof het een taboe was. Hij had hem gezien, meerdere keren. Hij reed langs, hard, maar hij was het, altijd op dezelfde plek nu, mistens een maand al. Daar waar de A4 op de A10 aansloot, vlakbij de VU. De volgende nacht stond ik daar. Rond mijn voeten lagen blikjes, lege sigarettenpakjes en meer, van alles dat mensen zoal wegdoen. Condooms. Ik stond er op. De tijd verstreek, het ging naar drie uur, half vier, de tijd die de man met de diepe ogen had genoemd. Het verkeer was ijl, af en toe een vrachtwagen of een taxi, een verdoolde ziel in een blik op wielen. En toen, onmiskenbaar, het geluid van een aanstormende motor, hoog, gillend, hysterisch. Een koplamp, naderend als het rusteloos zoekende oog van een groot en boos insekt. Dat moest hem zijn. Ik waagde het er op en sprong de weg op.

Het kon me niet schelen, laat hij me maar raken, me omver rijden als een pop, maar op het moment dat hij me zou raken, versmolten we, tijd versmolt, realiteit en alles dat nog slechts gedachten waren versmolt, een moment bevond ik me in een tijd of ruimte of allebei die ergens tussen leven en dood, tijd en niets moet zijn. Ik zag zijn gezicht ongewoon scherp voor me, langzaam van links naar rechts bewegen, liefde, haat, denk aan mij, ik hou van je. Vader, zoon, alles, genoeg.
Hij reed door me heen. Het was alof er een natte windvlaag tegen mijn gezicht plenste en toen ik me omdraaide zag ik hem, vijftig meter verder al, hij keek achterom en stak zijn arm op en zwaaide naar me voordat hij voor goed in het duister verdween. Deel van de geest van de weg, samengesmolten. Zijn ziel voor eeuwig gevangen in het stroperige asfalt van de weg. Ik stond weer in het donker. Alleen. Hij was weg.

Dat was ook de dag, nacht, dat ik leerde dat niets zeker is en dat niet alles is wat het lijkt. Maar, wat wel zeker was, was dat ik zestien was en dat mijn vader mij, mijn zusje en mijn moeder had verlaten om rond te rijden op de ringweg, te veranderen in een spook, een soort van vliegende Hollander.
Wij waren alleen. Dat was zeker.

Wat


Wat is het toch aan deze plek dat zo intrigeert en jaarlijks duizenden mensen doet besluiten er naar af te reizen? Wat is het toch dat mensen die hier slechts op doorreis waren heeft vastgehouden en doen beslissen hier jaren te blijven hoewel ze dat dus eigenlijk helemaal niet van plan waren?

Hoe komt het toch dat zo veel mensen die hier jaren gewoond hebben maar op een gegeven moment zijn vertrokken, uiteindelijk toch weer terugkeren? Hoe is het te verklaren dat zo veel mensen huis en haard achter laten om hier een nieuw leven te beginnen? Wat is het dat hen aanroept? Wat is er zo uniek aan deze plek? Is het het landschap? Zijn het de mensen? Heeft het klimaat er iets mee te maken? Is het iets dat in de lucht hangt? Wat is de magische aantrekkingskracht van dit oord? Wat is het ongrijpbare gevoel dat mensen hier zo fascineert? Waarom sluiten mensen deze plek in hun hart en hebben ze het gevoel dat ze hier thuishoren? Waarom willen ze hier nooit meer weg?

Waarom praten ze zo enthousiast over deze plek zonder te kunnen uitleggen waarom? Wat is de magie van deze plek die niet in woorden te vatten is? Wat is het unieke van deze plek dat kennelijk nergens anders te vinden is? Wat is het dat mensen hier grijpt en nooit meer loslaat? Wat is het toch? Ja, het zou best aardig zijn om dat te weten.

Wondvocht 6: Genezing


De nieuwe huid was vreemd. Eronder kon ik zien wat ik voelde; en op een heel vreemde manier. Alsof ik helderziend was als ik naar het vlies op m’n arm keek.
Wat ik voelde speelde zich ook echt af achter die vliesdunne gespannen huid.

Na een tijd begon ik te vermijden dat ik naar het vlies keek. Alleen was het soms alsof de oude wond een leven op zich leidde, en me iets wou vertellen. Eerst negeerde ik het. Maar na verloop van tijd nam de plek daar geen genoegen mee, en begon weer te kloppen als de oude wond, tot ik keek. Dan zag ik vreemde vormeloze taferelen en kleuren. En steeds weer die 2 donkere plekken. Soms dicht bij elkaar, soms elkaar vermijdend, als de Lippen van Kitty. Ik wou haar zien. Het leek ook wel alsof de wond het voelde als Kitty in de buurt was. Soms liep ze langs, Ik zwaaide dan naar haar. Met mijn goede arm; het was warm, en ik wou niet dat ze de lelijke plek op m'n beschadigde arm zag. Ze lachte, hield in, twijfelde en liep weer verder....

De week erop had ik al mijn moed bij elkaar geraapt. Ik was een weekje alleen thuis, mijn ouders waren een lang weekeind naar de Ardennen. "Je bent nu groot en wijs genoeg om alleen thuis te kunnen blijven". Koelkast vol, huis leeg.

Langzaam werden de contouren achter het vlies scherper, en begon ik de kleuren te herkennen. Het zwembadwater, Het begon te voelen alsof het water onder m’n wond klotste. En ik voelde weer m’n verdriet: ik kon nog steeds niet zwemmen, Maar ik voelde aan mijn wond: in de verte kwam Kitty aan. Ik nam de laatste 2 pilletjes uit het potje uit het ziekenhuis, in de hoop dat ze me wat moed zouden geven. Daar was Kitty. Ze zag me en glimlachte naar me; ik wenkte haar om boven te komen..

Het leek nu alsof tafereel in mijn arm diepte had gekregen, groter was geworden. Die ene vlek was ik. Ik, die kon zwemmen. De andere vlek waren de lippen van Kitty. Door het kloppend ruisen van mijn bloed hoorde ik haar, zag ik haar lippen in mijn wond lonken. Haar lippen bewogen. Ik hoorde haar stem, zonder geluid, als in het zwembad, onder water: “Zullen we onder water gaan zoenen?”. Ik dook in het water, trok haar mee onder wateren kuste haar, nu echt.

Ik kon zwemmen.

Van Oude Mensen. Dingen die voorbij gaan.


Het grutst langzaam. Ergens hoog boven, in of tussen de wolken, heeft iemand oogvocht op overschot. In onbewaakte hoeken heerst duisternis en droefnis. Maar ziet: de stad wimperwenkt en in een oogslag maken kallebassen salto’s in weeë lucht. Er weerklinkt gezang. Oprecht? Nee. De keelmormels hinken als een vehikel zonder gps. Deze klanken zijn lawaai, zielkrakende herrie, meer niet. Het licht: nog zoiets.
Wat daar mee aan de hand is? Tja... Duiden of verklaren is lastig.
Het licht heeft ossenknieën en plooit op foute momenten. Dit is duidelijk het seizoen van niet te pinnen nep.

En ondertussen strompelt een vrouw voort. Oog heeft ze niet. Voeling evenmin. Lood is haar lot want in haar woelt schouwtoneel. Op de bühne in haar hoofd prijkt slechts één persoon: haar moeder. Met een monoloog. Volzinnen rijgt zij aaneen. Als breiwol. De trui van haar leven is af. Klaar. Temidden van de klank- en lichtshow is de pull van de moeder van de vrouw gereed. En niemand die het opmerkt.

Het is nochtans een knappe monoloog. Ze heeft het over haar jeugd, hoe zij in Duitsland is opgegroeid, aan de oevers van de Rijn. Wulps en deerne waren woorden die men placht te gebruiken met haar als onderwerp. De jungfrau kon zwemmen, tjonge, wat kon ze zwemmen! Het meisje zwom onder rijnaken door. Na haar jeugd klopte de liefde aan:
een jonge Belgische man schaakte haar. Nam haar mee naar het land van de frieten en de chocolade. Daar proefde zij voor het eerst geluk.
Zoet maakte echter algauw plaats voor sehnsucht. Ach. Was ik maar.
Zucht in de vorm van sigaret. Maar hey, ze zette het verlangen van de heimat van zich af. Waarom geen bloemen verkopen? Een tijdje. Een tijdje schoonmaken dan maar. Kinderen kopen. Tijd volmaken en voor nageslacht zorgen: een dochter, een zoon en opnieuw een dochter. In het hoofd van de laatste dochter bouwde ze een bühne. Daar ging ze heen, telkens ze leegtes tussen familiale gezelligheid te vullen had.
Als eenzaamheid haar weer eens omsingeld had.

Eenzaamheid is een raar iets. Het doet dingen met je. Zo platgetreden is dat pad maar het is de waarheid en niets dan de waarheid, zo helpe ons allen, o God. In de spiegel van de ziel lachen slechts enkelingen. Daar was de vrouw van de bühne niet bij. Ze voldeed aan nog een cliché, dat van Duitsers en humor.

In het lichaam van de vrouw takelde alles af. Langzaam maar zeker.
Eerst stribbelde het hart tegen, dan faalde de rug en vervolgens de rest. Van rolstoel naar kakstoel naar ziekenhuisbed: zo ellendig kan het leven zijn. Of je humor hebt of niet, in Duitsland bent geboren of elders, in België frietjes hebt gegeten of net niet: het doet er allemaal niet toe. Op een dag lig je in bed, te kijken naar het wit van het plafond, te denken: is dit het nou geweest? Te wachten op de man die het geduld heeft uitgevonden. En als je z’n asem tegen je gerimpelde wang voelt trap je wild en sla je verwoed. Zoals de vrouw wier armen roodblauw van heldenmoed kleurden en de beentjes zo mager als stekjes waren. Toon zong: plots ben je aan je laatste beetje rusten toe.

Behalve in het hoofd van de dochter: daar staat haar make nog fier op de bühne, fris, monter, levendig, haar haren netjes gekamd, haar rug kaarsrecht, haar hart bonzend van energie. Terwijl de stad fake felheid etaleert, schijnt de moederlijke sterre diep in haar, in de droeve dochter die zomaar ergens heen strompelt, verloren en verwilderd. Het is de mamaster die in deze zwarte tijd haar hart verlicht, haar hart dat een beetje moe en flets toefjes bloed pompt naar de uithoeken die kouder zijn dan normaal.

Zij bidt: nu even geen Kerst en laat Nieuw maar stilletjes voorbijgaan. En ik, ik die haar bemin? Ach, ik houd van theater. Ik heb een levenslang abonnement. Het is slechts tijd, liefste. Het is slechts tijd, schat. Tijd is alles wat we hebben. Tijd en elkaar.

Mirca [49]


Het is nacht. Ik lig op mijn rug in bed en luister naar de ademhaling van mijn kompanen, het piepen van de ressortbodem telkens iemand van positie verandert, geluiden van de nacht. Fysiek ben ik uitgeput, maar mijn geest is klaarwakker en wil de slaap maar niet vatten. Het is nu bijna twee weken geleden dat ik gevangen genomen werd, al komt het mij voor als een eeuwigheid. Steeds moeizamer lukt het om terug te denken aan de tijd voor mijn gevangenschap. Ik kan mij de vrijheid haast niet meer voorstellen. Zo moet de oceaan zijn voor een vis in een vijver, of de lucht voor een vogel in een kooi. Maar wat heb ik ooit met die vrijheid gedaan? Heel mijn voorbije leven was bezaaid met mogelijkheden, ik liet ze nagenoeg allemaal onbenut. Wat een verspilling. Wat een tijdverlies.

Gisteren is er een team niet teruggekeerd van het veld. Meester vertelde dat ontsnappen onmogelijk is. Ik weet niet wie de verdwenen teamleden zijn, ik kan me zelfs hun gezichten niet herinneren.

De nacht wordt vaak gestoord door jammerklachten. De waanzin aast op ons, slaven, en mijn hart versnelt in angst telkens ik zijn stem door de monden van mijn kompanen hoor klinken. Er zijn momenten waarop ik vrees mijn verstand te zullen verliezen, wanneer een stemmetje in mijn hoofd het denken verstoort en oncontroleerbaar begint te raaskallen, hetzelfde zinnetje of woord steeds weer herhalend als een soort mentale echolalie. Soms vraag ik mij af of de waanzin niet beter zou zijn. Het verstand heeft aan een slaaf niets te bieden dan wanhoop en spijt.

"Ik heb deze nacht gedroomd dat we ontsnapten," zegt Ruben tijdens de eerste pluktijd. "We sloegen de trechter stuk met stenen en vluchtten weg door het veld."
"En waar vluchtten we naartoe?" zeg ik cynisch, "het enige wat er achter het veld ligt zijn nog meer velden. De hele planeet is één groot aubergineveld. Je hebt toch gehoord wat Meester zei. Trouwens, de enkelbanden verraden onze positie. Wanneer we ze trachten uit te doen worden onze moleculen uit elkaar gerukt."
"Dat is wat Meester zegt. Voor hetzelfde geld gebeurt er niets. Ik vind dat we het er op moeten wagen. Wat hebben we te verliezen? Een leven als slaaf heeft weinig waarde in mijn winkel." "Is het niet wat vroeg om drastische acties te ondernemen? We zijn hier tenslotte nog maar twee weken. Misschien laten ze ons na de oogst wel gaan. Of de Curianen komen ons redden. Jacob zal ons niet zonder strijd opgeven. Ik ben zijn beste vriend, en voor vrienden gaat hij door het vuur. Als iemand aan zijn vrienden raakt wordt hij beslist pisnijdig en bloedlink. En hij heeft dokter Sanders en majoor Pisman om zijn blinde gedrevenheid om te zetten in rationele actie. Zolang er nog hoop is ga ik geen gekke dingen doen."
De gedachte aan Jacob en de anderen vervult mij van nieuwe moed en trots. Mijn hele lichaam trilt er van. Ruben kijkt nog even somber. Hij kent de Curianen niet. Ik neem een ampul en kwak speels de groene blubber op zijn gezicht, een onhandige poging om hem wat op te vrolijken. Ruben gaat er niet op in. Hij wrijft werktuiglijk de blubber van zijn gezicht en krabbelt recht. De trechter zoemt om aan te geven dat de pauze voorbij is.

Vissen


De hengelsport is een verschijnsel dat me al vele jaren verontrust omdat ik om een of andere reden maar niet kan begrijpen waarom het kennelijk voor zo veel mannen [vrouwen zie je nooit vissen] aantrekkelijk is om uren lang met een hengel aan de waterkant te zitten zonder dat er eigenlijk iets gebeurt.

Veel gevangen wordt er over het algemeen niet - àls er al iets wordt gevangen - en wàt er dan aan de haak wordt geslagen wekt door de geringe afmetingen en het onsmakelijke voorkomen niet de indruk geschikt te zijn voor menselijke consumptie, althans, die indruk heb ik gekregen door af en toe eens in het voorbijgaan een blik in de emmers te werpen waarin de 'buit'lag te spartelen.
Hierin onderscheidt de hengelsport zich duidelijk van de professionele visserij die niet met hengels maar met netten werkt en in ruime hoeveelheden smakelijk zeefruit van bevredigende grootte aan de wereldzeeen weet te ontrukken. Men doet dit niet voor het plezier maar gewoon om geld te verdienen en alles is dus helder en van verontrusting mijnerzijds is dan ook geen sprake. Maar bij de hengelsport ligt dat dus anders en inlezen over het onderwerp brengt geen soelaas, omdat men daardoor wel te weten komt dat er een bijna onvoorstelbare varieteit aan hengels, snoeren, aas, haakjes, vismethoden en wat al niet meer bestaat, maar men nergens uitspraken tegenkomt die licht werpen op het waaròm van dit alles, wat doet vermoeden dat men dit in deze kringen als algemeen bekend veronderstelt. Tijd dus voor gedegen wetenschappelijk veldwerk. Op een lome, zonnige middag in Augustus begaf ik me naar het vlak achter mijn huis gelegen en door een beek doorsneden plantsoen, waar ik, na een man die de hond uitliet en een vrouw achter een kinderwagen te zijn tegengekomen, op 1 van de glooiende, met weelderig gras begroeide oevers, al snel een op een zeer minimaal uitgevallen soort tuinstoeltje gezeten hengelsporter aantrof.

Zo onopvallend en geruisloos mogelijk ging ik op een meter of tien afstand in het gras liggen en begon hem door de meegenomen verrekijker nauwkeurig te bestuderen. De man was van gemiddelde leeftijd en had een doorsnee postuur en ook aan zijn kleding en kapsel was niets bijzonders te zien. Het enige opmerkelijke aan hem was eigenlijk dat hij zo goed stil kon zitten. Ik tuurde en tuurde, maar hoe ik ook probeerde het waargenomene wetenschappelijk te duiden, het bleef toch gewoon een man die bewegingloos op een krukje zat met een hengel in zijn hand zonder dat er verder iets gebeurde. Af en toe dwaalde mijn aandacht af naar het bijna spiegelgladde wateroppervlak waarop een zwakke windvlaag soms een rimpeling teweegbracht waarin de najaarszon flauwe lichtplekjes toverde en een tijdlang liet ik mijn blik rusten op een eend die met de kop onder een van zijn vleugels op de andere oever zat te slapen. Vermoedelijk vanwege de warmte, maar waarschijnlijk ook omdat ik me begon te vervelen, werd ik steeds suffer en slaperiger en nam na ongeveer anderhalf uur tijdelijk afscheid van de wereld door me in Morpheus' armen te vlijen. Toen ik weer wakker werd was de schemering al begonnen te vallen en na de slaap uit mijn ogen te hebben gewreven kon ik - zelfs zònder verrekijker - alleen maar constateren dat er aan de situatie in het geheel niets veranderd was: de man zat nog steeds bewegingloos op zijn krukje met een hengel in zijn hand terwijl er verder niets gebeurde. Ik keek de zaak nog een minuut of twintig aan, maar ineens had ik er genoeg van, stond op, liep naar de man toe en na me te hebben voorgesteld vroeg ik hem brutaalweg welk plezier de hengelsport hem verschafte, omdat ik om onlogische, bijna Vultiaanse, redenen meende er zo onderhand wel recht op te hebben dat te weten. Er kwam echter geen antwoord en omdat ik dacht dat hij misschien hardhorend of zelfs doof was herhaalde ik mijn vraag met stemverheffing, maar nog steeds kwam er geen reactie.

Definitief overtuigd van zijn doofheid stootte ik hem nu aan ter hoogte van zijn schouder om z'n aandacht te trekken, maar in plaats van zijn gezicht in mijn richting te wenden, begon hij met krukje en al langzaam om te vallen, draaide 1 maal om zijn as en bleef in zithouding op de grashelling liggen.

Enige momenten later kon ik alleen maar constateren dat de man niet meer in leven was en dat vanwege de volledige Rigor Mortis mocht worden aangenomen dat de dood minstens zes uur tevoren was ingetreden. Ik keek nog even in de emmer, die op een paar liter water na leeg was en maakte me vervolgens snel uit de voeten.

Hoe uw lippen rood te schilderen en een AK-47 af te vuren


 

Rode lippenstift maakt een comeback. Het is fashion-statement nummer één van dit moment, van de catwalks van Parijs tot aan de binnenlanden van Congo-Kinshasa. Weinig dingen doen uw gezicht meer opvallen dan helder rode lippen, maar let op: overmatig glanzende rode lippen kunnen overweldigend overkomen. Daarom is voorzichtigheid geboden bij het kiezen en aanbrengen van uw lipstick.

Vergeleken met lippenstift is de AK-47 een eenvoudig wapen. De AK-47 is ontworpen om u ook onder zeer slechte en vuile omstandigheden van dienst te zijn. Schoonmaken is niet nodig, u dient enkel voortdurend te herladen en te vuren. Wapens als antitank, traangas of lippenstift vergen een gedetailleerd opleidingstraject, maar de AK-47 is de simpelheid en elegantie zelve. De nu volgende serie handige tips helpt u om zowel uw lippenstift als uw AK-47 goed te gebruiken.

Moeilijkheidsgraad: redelijk Gemakkelijk 

Lippenstift: 

Bewaar uw rode lippenstift voor avondsoirees en speciale gelegenheden. Denk eraan: het kan wat tijd vergen om aan een nieuwe make-up-look in de spiegel te wennen. 

Begin met een vochtinbrengende crème voor uw lippen. Breng dan een dunne laag van foundation en poeder op uw lippen aan om uw rode lippenstift langer te laten blijven. Belijn uw lippen lichtjes met een lippenpotlood in een kleur gelijkend op uw rode lippenstift. Druk nu uw rode lippenstift lichtjes op uw lippen. Met rood is het belangrijk om een dunne laag aan te brengen, zodat uw look niet overweldigend wordt. De rode lippenstift met een make-upborsteltje aanbrengen kan helpen om een licht, gelijkmatig effect te krijgen. Dep uw lippen lichtjes met een tissue. 

Doe het kalm aan met de rest van uw make-up. Rode lippenstift is van zichzelf al een flinke statement. Het geheim van deze look is de rest van uw make-up eenvoudig te houden. Wanneer u uw lippen op deze manier benadrukt, gebruik dan weinig oogmake-up en blush. Als de lippen opvallen, moeten zij de focus van het gezicht zijn. 


Breng een laatste dunne laag rode lippenstift aan. U bent klaar om te gaan! 

AK-47: 

Duw een magazijn in de daarvoor bestemde uitsparing. Trek de slede naar achteren om het eerste patroon te laden. Haal de trekker over en laat los als alle kogels afgeschoten zijn. Verwijder magazijn. Herhaal.



Wondvocht 5: Helsesteen


Het wilde vlees had zich in m’n arm gevreten. Van de dokter kreeg ik het voorschrift om 3 keer per dag de hele plek aan te tippen met Helsesteen Als ik erop drukte veerde het mee; zacht van binnen, hard van buiten. Als winterlippen met kloofjes, zonder gevoel, zonder korst. Ik vond het zelfs wel leuk. Zo’n totaal ander soort stukje lichaam. Maar de helsesteen deed pijn aan de wond; het was alsof het vlees begon te leven als ik het aantipte met de Helsesteen. Terugvocht om niet te sterven. Mijn arm voelde als een loopgravenoorlog na een aanval met mosterdgas. De pijn was niet uit te houden…. Telkens als ik de plek aanstipte zag ik op de wastafel het potje met pillen dat ik had meegenomen uit het ziekenhuis. Het was alsof het potje stond te wachten. Net als in Alice in Wonderland. Als ik het potje zou openmaken zouden er twee pillen inzitten: “eat me”, en “drink me”.

Op een gegeven moment werd de pijn zo erg, dat ik besloot een zo’n pilletje te nemen. Baat het niet dan schaadt het niet. Er stonden geen letters op. Ze hadden allemaal dezelfde kleur. Gewone witte tabletten.
Zelfs het innemen met water ontbrak. Ik nam een pilletje in. Met water.
Het pilletje hielp niet tegen de pijn; ik voelde niets… Wachtte, en voelde niets… Om de pijn te vergeten ging ik slapen.

Die nacht droomde ik; dat het wilde vlees een leven op zich leidde. Één keer kon ik zelfs met de wond praten. Het was de stem van Kitty, het meisje van de hoek. Blond, met volle lippen. Borsten die net uitgekomen waren. Veelbelovend en vol, nog niet getergd door de zwaartekracht. Ik heb de wond een paar keer gezoend, indenkend dat ik haar volle lippen zoende.
Mijn vingers zacht drukkend tegen het zacht verende deel van mijn wilde vlees.

Ach, de pubertijd… Ik voelde me bedreven worden in onze omhelzingen en liefkozingen, maar het wilde vlees stierf langzaam af, werd zwart en rotte gevoelloos weg van m’n arm.

Ik wou Kitty blijven zoenen; voelen; proeven; de eerste aanraking van haar lippen;, als in de droom. Ik probeerde nog meer pilletje van het ziekenhuis; die hielpen even en gaven me dromen; dromen waarin de sexualiteit omlijst werden met fantasieën. Dromen waarin ik naar Kitty lonkte, waarin Kitty….. .Maar op een gegeven moment was het echt voorbij.

Ik had nog even gedacht bij het zoenen aan de negerin aan het einde van de straat, maar toen er onder de donkerroze dode rimpels een strakglanzende zachtroze nieuwe huid tevoorschijn kwam was het over met die fantasie.

De nieuwe huid onder de wond was nog steeds zonder gevoel, half transparant. Het was alsof ik in mijn eigen arm kon kijken. Niet alleen mijn aderen klopten, maar mijn hele constellatie kon ik zien kloppen.
Levend en dun, slechts door een nieuw maagdenvlies tegen de boze buitenwereld beschermd. Ik koesterde mijn nieuwe vlies als een kind zijn fragiele ballon, wetende dat die alleen maar kon knallen of verschrompelen.

Mirca [48]


Dokter Edwin Sanders stierf een week later. Reno vond hem in de late ochtend op de onderzoekstafel in de ziekenboeg. Het kwam Reno eerst voor dat hij een uiltje aan het knappen was. Waarschijnlijk is hij in zijn slaap gestorven. Op zijn gezicht waren geen sporen van pijn. Ella werd er bij gehaald. Ik stond in het deurgat en keek toe hoe ze het lichaam onderzocht. Haar bewegingen leken afgemeten en precies, maar tegelijk ook vloeiend en sierlijk, als de dans van een sjamaan die de geesten aanroept in een overgangsrite naar de dood. Ella was geen kind meer. De dood van Ed sloot een hoofdstuk in haar leven. Met een finaal gebaar bedekte ze het lichaam met een donkere doek en besloot daarmee haar eigen transformatie van meisje tot vrouw. Met de treurnis in mijn hart kiemde er een nieuwe hoop. Verdriet en geluk, angst en verlangen: de zuurzoete smaak van het leven.

Terwijl in het dorp de voorbereidingen van de begrafenis werden getroffen trok ik mij terug op de hand, de rots die het oostelijk deel van het dorp overschaduwt. Ik aanschouwde afwezig de bedrijvigheid en trachtte me de laatste contacten met Ed voor de geest te halen. Sinds hij de klier in mijn arm ontdekt had, had ik hem niet meer gesproken. Naarmate zijn ziekte vorderde zonderde hij zich meer en meer van iedereen af. De laatste weken at hij niet meer in de mess. Wanneer iemand de ziekenboeg aandeed gaf hij onmiddellijk te kennen dat hij met rust gelaten wilde worden. Ze zeggen dat dokters de slechtste patiënten zijn. Het was alsof de ziekte hem in zijn eer trof, alsof ziek zijn voor hem zoveel betekende als falen. Ed, die altijd een heldere kijk had op de zaken, steeds klaar stond met wijze raad, weigerde iedere uitgestoken hand.

Heb ik mijn appreciatie voor alles wat hij voor mij gedaan heeft wel voldoende laten blijken? Ik had het gevoel dat ik tekortgeschoten was. In de periode na de dood van Mirca had hij zich onvermoeibaar voor mij ingezet, en als dank ontving ik hem met sneren en onverschilligheid. Zelfs nadat ik uit de put was gekropen heb ik hem daar nooit behoorlijk voor bedankt. Ed’s hulpvaardigheid en goedige natuur waren vanzelfsprekend, als moederliefde. Zijn dood voelde aan als de dood van een ouder. Ed was al die jaren mijn surrogaat vader geweest. Ik zat nog lange tijd in kleermakerszit op de rots, heel klein en verloren.

Het werd een warme plechtigheid. De dood van Edwin Sanders legde de genegenheid die we in onze harten droegen bloot in gebaren van troost en affectie. Ik ervoer die dag als een catharsis. Emoties die ik altijd had binnen gesloten en daarmee verdoemd om rond te malen in mijn lijf vonden eindelijk hun weg naar buiten. Na de plechtigheid voelde ik me als herboren. Verdriet dat tot uitdrukking kan komen verteert je niet, maar herstelt juist de scheuren die het verlies gemaakt heeft. Waarom zijn wij mensen zo slecht tot uitdrukken in staat? Schaamte, trots en angst maken ons leven tot een schouwtoneel. Wachten wij op het applaus na het vallen van het doek? Ik besloot die dag niet langer te wachten en stapte op Ella toe die voor het graf van Edwin stond. Ik legde mijn handen op haar schouders en gleed over het dunne stof van haar blouse, waardoor ik de warmte van haar armen kon voelen, naar beneden, tot ik haar handen raakte. Ella sloot haar handen rond die van mij en kneep er zachtjes in. Dan draaide ze zich om en legde haar hoofd tegen mijn schouder. Haar tranen drongen warm in mijn shirt. Ik sloeg mijn armen om haar heen en drukte een kus op de kruin van haar hoofd. Haar haren roken naar bloemen.

Pet, vrouw en samenleving


Vroeger droegen alleen mannen een pet. Aanvankelijk had dit een praktische reden: Omdat mannen jaagden waren ze veel buiten waar het nogal eens wilde regenen. Het water viel eerst op de bovenkant van hun hoofd en liep dan, door de voorovergebogen houding die men tijdens de jacht aannam om te voorkomen dat het wild hen in de gaten zou krijgen, naar voren zodat de mannen een natte neus kregen. Dit was niet prettig. Daarom voorzagen zij een muts van een klep aan de voorkant zodat het water nu niet meer op de neus kon stromen en voila: de pet was geboren. De pet houdt het midden tussen de muts [geen klep] en de hoed [overal klep].

Een vreemde eend in de bijt is de pet van Sherlock Holmes die zowel aan de voor- als aan de achterkant een klep heeft [waardoor ook geen water in de nek kan druipen], maar daarentegen aan de zijkanten weer in het geheel niet. Naar verluidt zette Holmes, die sterk bijziend was maar uit ijdelheidsoverwegingen weigerde een bril te dragen, de pet een keer achterstevoren op, zag geen klep, nam aan dat deze er af was gevallen, en verzocht zijn huishoudster er een nieuwe aan te naaien. Omdat deze nog niet geëmancipeerd was, en dus onderdanig, durfde zij niets over het misverstand te zeggen enz enz. Dit veranderde in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Vanwege het oprukkende feminisme en het uitdelen van krenten op de Dam [en omdat in Mei '68 studenten in Parijs de straten gingen opbreken, alsmede joints roken en met arbeiders praten], wilden de vrouwen meer op de man gaan lijken. Zij gingen niet in de regen jagen, maar tooiden zich steeds vaker met petten. Niet zelden knipten ze ook hun haar kort om nog meer op de man te lijken en dat gaf ze een zodanig gevoel van bevrijding, dat ze steeds kortere rokken gingen dragen om te laten zien dat ze geen lustobjecten waren en ook niet als zodanig behandeld wensten te worden. Dit had echter een averechts effekt waarna de roklengte weer toenam, tot deze tot op de grond reikte waarna men om struikelen te voorkomen overschakelde op de wijde spijkerbroek en de vormeloze tuinbroek. Maar de vrouwelijke vormen kwamen nu weer te wèinig uit en men ging de broeken steeds strakker maken en schoenen dragen met plateauzolen om langer te lijken.

Omdat hoge bomen veel wind vangen viel de pet wegens afwaaien in ongenade, maar nu had men weer een te koud hoofd en liet ter compensatie het haar wederom lang groeien. Ook had men inmiddels alle bh's verbrand waardoor veel borsten gingen hangen en dit leidde tot de doorbraak van de Wijde Sweater. En toen kwam Madonna. Zij herstelde de pet in ere door het hoofddeksel van een Nazi-officier te gaan dragen en trok weer een bh aan, maar van een ongebruikelijk [en dus vernieuwend] materiaal, namelijk titanium. Hiermee wilde ze duidelijk maken dat ze weliswaar een vrouw was maar wel degelijk haar mannetje wist te staan en dat zij wèl beschouwd wilde worden als lustobject, maar niet als een baarmachine. Ook vond zij een oplossing voor het haarprobleem: Zij liet krullen zetten in heur lange haar [permanent] waardoor zij tegelijkertijd lang haar had en tòch een kort kapsel. Deze ideeen vonden veel weerklank.

Vlak voordat er een titaniumtekort ontstond ging Madonna zich plotseling verkleden als Marilyn Monroe, maar de inmiddels ge-emancipeerde vrouwen hadden geen tijd meer voor haar omdat ze ondertussen kinderen hadden gekregen en druk bezig waren de oude tuinbroeken in stukken te knippen om er kinderbroekjes van te maken [Uit iedere tuinbroek gingen wel 5 a 6 kinderbroekjes].

Tot overmaat van ramp schoor Madonna haar schaamhaar af en vond iemand het glazen plafond uit en de pet raakte weer uit de gratie, terwijl het aantal kinderboetiekjes snel toenam en de wijde pijp weer in het straatbeeld terugkeerde, zij het nu 20 centimeter te kort. Lang leek het er op dat de vrouwenpet definitief had afgedaan, maar wie oplet ziet de laatste tijd weer steeds vaker vrouwen met een pet op, dit mede dankzij de sixtiesrevival. Weliswaar gaat het nog slechts om een progressieve voorhoede, maar het is niet ondenkbaar dat binnen afzienbare tijd men bij het woord koopavond niet meer aan een slenterende mensenmassa denkt, maar aan een golvende vrouwenpettenoceaan.

Wat maar weer aantoont dat de vrouwenpet nooit kan worden uitgevlakt en een opmerkelijke vitaliteit en veerkracht bezit.